|
Overwegingen en ervaringen
Een man tussen werkelijkheid en mythe
‘the best discipline and the soundest
and sanest for the prosecution of the war’.
Ernest Hemingway, Chapter XIII.
‘For whom the Bell tolls’
over de communisten in Spanje, 1936-1938
Hij werd ‘Vic’ genoemd, door zijn vrienden en hen die zich daartoe rekenden. ‘Vic’ was een oorlogsnaam, uit de jaren ’40 - ’45, die van de illegaliteit en het verzet. Die namen wisselden, om allerhande veiligheidsredenen. Mettertijd werd het voor hem ‘commandant Dierckx’.
Zijn vrouw Rachel, die tijdens de oorlog zijn koerier was en op haar beurt tot ‘Marthe’ werd omgenoemd, sprak hem tot haar laatste dag met ‘Vic’ aan. En hij bleef ‘Marthe’ zeggen, ook tot zijn jongste dochter, in die maanden dat zijn geheugen, na zo lang te hebben standgehouden, hem eindelijk ontglipte.
Maar hij heette Albert met zijn voornaam. En die Albert werd geboren in 1915, in een Engelse voorstadstown, Alderley. Ik vermoed sterk dat hiermee Alderley Edge wordt bedoeld, net bezuiden Manchester. Passons. Zijn ouders waren in de weken na de Duitse inval in Augustus 1914 uit Mechelen op de vlucht gegaan, zo in Engeland en op de duur in Alderley terechtgekomen. Onder de Belgische migranten was de naam Albert, de roepnaam van de toenmalige koning der Belgen, toen zeer populair...
Na de oorlog ging het terug naar Mechelen.
Het verdere verhaal wordt voor ons betekenisvol wanneer Albert bij de Mechelse Kommunistische Jeugd terechtkomt. Mij vertelde hij eens dat hij daar een uit de kluiten gewassen rood-scoutistische jeugdbeweging had vermoed, met uniformpjes, tenten, vakantiekampen, ‘s ochtends vlaggegroet, enzovoorts. Dat viel tegen. Het jeugdbestuur bestond uit drie sigarettensmorende jongelui, waamee waarschijnlijk tevens het hele lokale ledenbestand was uitgeput. En hij werd, na het indienen van zijn schriftelijke aanvraag tot opname, door dat bestuur uitgenodigd op een gesprek. Dat bleek een kruisverhoor, streng en wantrouwend. Wie toen lid wou worden van de KJ of de KP leek wel door de reeds tot de eer van het lidmaatschap toegelatenen te worden beschouwd als a) een idioot of fantast, b) een spion die bij ons in opdracht van de klassevijand wil binnensluipen, c) heel misschien iemand die het eerlijk meent, of d) die nog heel misschiener voor opname in aanmerking zou kunnen komen. Het 7de congres van de Komintern, haar laatste, dat in juli/augustus 1935 in Moskou bijeenkwam, was toen nog ver...
In tegenstelling tot de verwachtingen van KJ-hogerhand bleek dergelijke methode niet direct bij te dragen tot de verheffing van de algemene kwaliteit van het ledenbestand. Niettemin. Het aantal volslagen kierewiete kandidaat-leden dat aldus werd uitgefilterd, is ook niet verwaarloosbaar. Bijvoorbeeld om alleen maar de vele kerkstichters buiten de deur te laten. Albert werd aanvaard.
In Spanje brak officieel op 18 juli 1936 de ‘burgeroorlog’ uit. De aanloop daartoe veronderstel ik hier als gekend . Het weze om te beginnen duidelijk dat de vorming der Internationale Brigades gebeurde in de geest van de dramatische en gelukkige koerswending der Communistische (Derde) Internationale, op haar congres van 1935. Niet alleen communisten maar ook socialisten en andere democraten zijn toen naar Spanje getrokken. Het Britse vrijwilligersbataljon droeg de naam van Clement Attlee, Labourvoorman en later nog eerste-minister van Groot-Brittannië.
De directe aanleiding tot de oprichting der vrijwilligersbrigades lijkt toch minder duidelijk. De USSR wilde vooral niet betrokken worden bij de Europese militaire conflicten die zich toen reeds duidelijk aankondigden. Moskou wou, zoal niet in woorden dan toch in daden, in ieder geval neutraal blijven. Uiteindelijk heeft de Sowjetunie dan toch wapens en militaire instructeurs aan de Republiek geleverd. Om dan in 1939, een half jaar na de instorting van het republikeinse verzet, met nazi-Duitsland een niet-aanvalspact en vriendschapsverdrag te sluiten en onder elkaar Polen te verdelen.
Naar mijn mening heeft vooral een appèl van Maurice Thorez, toen de kersverse algemeen-secretaris der Franse Communistische Partij, de Communistische Internationale over de streep geholpen. Hij wou directe en internationalistische militaire hulp aan de Spaanse Republiek. Zo gebeurde het, na nog enig wenn und aber binnen de KI en tussen haar aangesloten partijen. In dat debat werd de Belgische KP nauwelijks betrokken of gehoord. Er gingen niettemin 2.000 Belgen, vooral KPB-leden, in de Internationale Brigades meevechten. Evenveel als, 75 jaar vroeger, in de Parijse Commune...
Albert, de 21-jarige, ging naar Spanje. Hij kwam, na verloop van tijd, terecht op het hoofdkwartier der Internationale Brigades, in Albacete. Daar leerde hij, zij het op afstand, de grand chef André Marty kennen.
Hemingway heeft het in zijn boek ‘For whom the Bell tolls’ (Voor wie de klok luidt) ergens over een André Massart, een blijkbaar belangrijk iemand, militair-politiek commissaris bij de Internationale Brigades maar dan wel totaal schizofreen, die niemand betrouwde en volop liet fusilleren. Hij bedoelt er duidelijk Marty mee.
Ik kreeg in Noord-Ierland van Jill, een vriendin van me, in 1945 dat boek cadeau, als verjaardagsgeschenk Het was toen in de US en de UK reeds aan zijn negende editie toe. In het pas bevrijde België was het nog volslagen onbekend. Het is een bijzonder mooi boek, dat handelt over de wanhopige strijd van de Spaanse Republiek tegen Franco en zijn Duitse en Italiaanse bondgenoten.
Sommigen willen Albert, ‘Vic’, verheffen tot een mythe. Een eenzame, boven allen uittorende held van moderne sagen. Spanje, het verzet, Congo... Ze hebben het al eens over ‘de geest, de ziel van Vic, die slechts weinigen kunnen begrijpen...’ Hoeft dat?
Vic deed plichtbewust wat hem opgedragen werd te doen. Een creatief denker was hij niet en hij heeft geen belangrijke geschriften nagelaten. Maar hij was een knap en intelligent uitvoerder, met een helder hoofd. Hij had de zeldzame gave van het leiderschap. En hij had humor, kon geestig zijn. Edgar Lalmand, die niet van Albert hield, heeft hem zo lang hij kon uit het Centraal Comité geweerd. Zonder Lalmands toestemming kwam men daar trouwens zeer moeilijk in. Hij vond - en ik citeer Lalmand hier tekstueel - dat het Centraal Comité niet door een congres moest verkozen worden, maar door de hoogste leiding man voor man worden aangeduid. Zo kreeg men immers de gehoorzaamsten, dus de trouwsten, de zekersten bij elkaar. Tevens de meest fantasieloze ja-knikkers, maar zo zag Lalmand het niet. Doch zijn voorstel werd binnen de partij uiteindelijk toch te gortig gevonden en haalde het niet. En in de eerste jaren na 1944, tot aan het elfde partijcongres van december 1954, dat vooral onder impuls van de federatie Brabant en dus Brussel protesterend opstond, openlijk tegen Lalmand rebelleerde en hem wegstemde, bleef zijn gezag onder de Belgische communisten absoluut, dictatoriaal en vol onbeheerste willekeur, in Vlaanderen nog veel meer dan in Wallonië, à propos.
En het was pas het 9e partijcongres dat Albert De Coninck, tegen de zin van Lalmand, in het Centraal Comité koos. Dat hem meteen doorpromoveerde naar het Politiek Bureau. Onder zijn leiding was de federatie Antwerpen immers de actiefste, en tevens de snuggerste der Vlaamse én Waalse partijfederaties gebleken.. En bij de parlementaire verkiezingen van 26 juni 1949, waarbij de vrouwen voor het eerst mee mochten stemmen, leed de KPB een zware nederlaag die haar van 23 op 12 kamerzetels terugbracht. Slechts in het kiesarrondissement Antwerpen had de KPB toen winst geboekt! Frans Van den Branden werd er tot voortaan enig Vlaams communistisch volksvertegenwoordiger gekozen .
Op het elfde partijcongres heeft Albert zich samen met de meeste Antwerpenaars trouw achter Lalmand geschaard. Elke kritiek van Lalmand op zijn persoon en werk slikte hij. En in Lalmands ogen ging de kleine Albert regelmatig zwaar in de fout. Zijn volslagen Nederlandsenkundige vrouw Jeanne Mulier stuurde hij als “instructeur” naar Antwerpen om daar Albert voor het ene of het andere op de vingers te tikken. Bij een van die strafexpedities was ik toevallig aanwezig. Albert zag spierwit en gaf deemoedig alles toe wat Jeanne hem verweet. Zelfkritiek heette dat. Griezelig... Mij had hij aan Jeanne voorgesteld als “un jeune camarade qui est venu nous joindre récemment en dont le français est excellent”. Toen kon het voor mij niet meer stuk. Jeanne beloonde me met een glimlach en een “très, très bien”.
En toen Stalin er zeventig werd, moest dat door alle communisten in de wereld gevierd worden . Zo ook door de KPB en al haar federaties. Te Antwerpen gebeurde dat in de zaal ‘Grieten’ aan de Diepestraat. Net zoals in alle landen door alle lokale KP’s en hun onderafdelingen gebeurde, had ook de federatie Antwerpen gezorgd voor geschenken aan de jarige. En ze lagen, mooi geordend op een grote, met vlaggen gesmukte tafel. De kussens, het borduurwerk, de kindertekeningen, de amateur-schilderijen en -gedichten, de vele pijpen voor kettingroker Stalin, je noemt het maar. Een extra met dat doel naar de West-Europese havens gestuurd vrachtschip kwam die geschenken ophalen, in Tilbury, Le Havre, Antwerpen, Rotterdam, Kopenhagen, enzovoorts. Te Antwerpen had het drie ton aan geschenken aan boord mogen nemen Voorts hield Albert in de volgelopen zaal een jubeltoespraak over de verdiensten van de Vader der Volkeren en het socialisme dat nu wel vlug (“nog deze eeuw, kameraden...”) naar België zou komen. Verder hebben, naar ik me meen te herinneren, ook nog wat kinderen een toepasselijk liedje gezongen. Tenslotte werd het nog een gezellige avond.
Voor Lalmand was dat een schandaal. Niet plechtig genoeg, onwaardig van de Grote Gevierde. Hij schreef er zelfs een editoriaal over, voor ‘Le Drapeau Rouge’ en ‘De Rode Vaan’ in kader, op de voorpagina. Voor de ogen van Albert moet toen de wereld zijn vergaan. Er waren Antwerpse partijleden die weigerden nog met hem te spreken. En Albert slikte alweer en leverde autokritiek.
Kwam dus het elfde, rebelse partijcongres. Alle federaties hadden dat vooraf grondig en met vele vergaderingen en discussies moeten voorbereiden. Die voorbereidingen, meer dan de congressen zelf, waren destijds echte momenten van democratie binnen de op dat stuk niet bepaald rijk bedachte KPB.
Op het Antwerpse federale partijcongres, kort voor het nationale, hield Van den Branden de inleiding. Geen woord kritiek op de nationale leiding, Lalmand bleek alweer geniaal, de basis moest ernstig en zelfkritisch haar eigen tekortkomingen onder de loep nemen.
Ik had hard gezwoegd op het schrijven van mijn interventie, de eerste van me op een federaal congres. En ik had kritiek, op doctrine, propaganda, partijdemocratie. Ik ben zowat weggefloten geworden. Alleen een jong atheneumleraar geschiedenis, ene Leo Michielsen en iemand uit Sint-Antonius, ene Rik Wagemans, kwamen me tijdens de pauze feliciteren.
Ik was toen al meer dan een jaar op de redactie van ‘De Rode Vaan’ en kreeg te horen dat ik het na het elfde congres wel zou kunnen schudden inzake dat redacteurschap. ‘Na die misdadige tussenkomst van u te Antwerpen...’. Lot en congresmeerderheid hebben er anders over beschikt.
Albert, een van de weinige Antwerpenaars die nog met me spraken - dat veranderde spectaculair na de slotvergadering van het elfde congres, waarop zowat alle Antwerpenaars tegen de slotresolutie hadden gestemd en niemand van hen dat een half uur later nog wou geweten hebben - was ervan overtuigd dat hij geen schijn van kans maakte om herkozen te worden voor het Centraal Comité. Hij had, tegen zijn gewoonte, zelf niet gesproken op het congres noch in de commissies, en - ook alweer tegen zijn gewoonte, hij verdroeg slecht alcohol - zich elke namiddag en avond lazarus gezopen.
En bij de slotzitting, toen het nieuwverkozen Centraal Comité (voor het allereerst per geheime stemming) werd voorgelezen, zat hij slapend op z’n stoel, naast mij. Traditiegetrouw kwam het CC onmiddellijk bijeen om het nieuwe Politiek-Bureau en Secretariaat te verkiezen. Nog sliep Albert, met geen kanon wakker te krijgen. En zo heeft hij het twee keer niet gehoord, .de eerste keer voor het CC, de tweede keer voor het PB, dat hij het gehaald had. Hij met Georges Glineur uit Henegouwen, de enigen uit het aftredende Politiek-Bureau die herkozen waren...
Twee dagen nadien ging de partij nationaal opnieuw aan het werk, in ons gebouw aan de Brusselse Stalingradlaan. Albert kwam met hangende pootjes om tien uur ‘s ochtends binnen, gewoon om zijn bureau leeg te ruimen. En werd onthaald op gejuich, felicitaties, bloemen en dikke, natte zoenen van alles wat daar een rok droeg. Thuis had hij geen kranten willen inkijken, ook de KP-pers niet, en de radio gaf die dagen op zijn bevel geen kik.
En zo heeft hij dan vernomen dat hij, totaal in tegenspraak met wat hij verwachtte, met klank, zang en staande ovaties ‘door het congres was geraakt’.
Ik heb het hem zeer gegund. Ik mocht hem bijzonder. Er groeide, eerst aarzelend, dan op tempo, vriendschap tussen ons. Die steeds hechter werd, vooral de laatste jaren. Ik had zowat al zijn taken mogen overnemen. En ik mag wel zeggen dat ik mijn eigen inbreng leverde, zonder iemand, ook hem niet, na te bootsen. Maar zijn wegbereiding was goed en nuttig geweest, steeds en overal, tot verre over de grenzen. Daarom hier mijn dank, aan dat kleine, gewiekste, uitgekookte, gehaaide, veel begrijpende, pientere mannetje.
Hier past nog een ervaring van me. Einde der jaren negentig begon ik, samen met Frans-Jos Verdoodt, aan de ‘Voorwaarts-Groep’. Dat haalde meteen alle media. Er stak even een storm op. Ook binnen de rest-KP. Jos en ik wilden ‘een eerlijke aanpak van de problemen van collaboratie en repressie in Vlaanderen’.
Wablief? De Jan is voor amnestie? Dus is hij toch een verrader! Heb ik het niet altijd gezegd?...
Het ging me natuurlijk niet om amnestie en heb dat voor de televisie zonder omwegen gezegd, maar om rechtvaardigheid die waar het hoort ook mild kan zijn.
Aan Jos had ik gezegd dat het zonder mensen van aanzien binnen de linkerzijde niet zou lukken, om in dit Vlaamse land de hoogste instanties tot de hoogste trap van verzoening te brengen. En ik heb ze gevonden: Ludo Abicht, Jaap Kruithof, Paul Pataer, Willy Courteaux, Monika Van Paemel, Willy Minnebo, Lode Van Outrive, Lode Hancké, anderen...
Het Vlaamse Parlement aanvaardde onze beginselverklaring, incluis het beredeneerde oordeel over de collaboratie, de erkenning dat ook de repressie onrecht had begaan, en het inzicht dat kinderen niet te boeten hebben voor de foute ouders. Alleen het Vlaams-Blok had geen ja-stem willen uitbrengen. Filip De Winter noemde me een lijkenpikker.
Ik trok naar Albert, legde alles op tafel. Ik zie hem nog, zwijgend, luisterend. Dan bedachtzaam het hoofd schudden, naar zijn keukentje stappen, om met een volle koffiepot terug te keren. Koekje er bij? Weer het hoofd schudden, minutenlang zwijgen. Me aankijken.
Dan: ‘Jan, je hebt gelijk. Jazeker, je hebt gelijk. Het is tijd. Doe verder. Ik sta er achter. Je mag mijn naam noemen’.
Dat noem ik moed, en verstand.
Hij had niet alleen verstand, maar kreeg er tevens het noodzakelijke werkinstrument bijgeleverd, mét handleiding: een soliede dosis geznd verstand. Hij rook vlug, dikwijls als eerste, het gat in de markt of de stront aan de knikker. Eigenschappen die hem, het weze gezegd, beter dienden dan een soms wat al te vruchtbare en met hem weglopende - of een loopje nemende - tot fabuleren neigende fantasie .En Albert had dat niet eens nodig, noch van anderen, noch van hemzelf. Zijn leven is zo al rijk, boeiend en waardig genoeg geweest. Als jong communist trok hij in 1936 naar Spanje omdat hij daar met de wapens het fascisme wou bevechten. Zo trad hij in 1940 in de illegaliteit en het verzet, met hetzelfde doel. En hij bracht het tot vooraanstaand verzetsleider, in West-Vlaanderen en elders. In zijn partij vond hij zijn plaats in Politiek Bureau en Nationaal Secretariaat. Als verantwoordelijke voor de internationale relaties der KPB werd hij een gezien en beluisterd man in de communistische wereldbeweging. Hij had een bijzondere en actieve interesse genomen in Congo, kende Lumumba en velen van hen die nadien in Congo de democratie wilden invoeren. Heel wat hebben dat met hun leven betaald. Een Congolees ambassadeur heeft me eens opgebeld en op de koffie gevraagd. ‘C’est donc vous qui a succédé à Albert De Coninque? Il parait qu’ il est pensionné? Comment va-t-il? J’ose à peine lui donner un coup de téléphone, on m’écoute et la sûreté belge coopère avec la nôtre. Mais dites-lui que je le salue. On s’est rencontré chez lui à Edegem, vois-tu, on peut te tutoyer, camarade?’
En de aanzienlijke toeloop op zijn uitvaart was het laatste bewijs van de achting die voor hem werd gevoeld, niet alleen onder communisten. En verdiend. Een geslaagd leven, dat herinneringen zal nalaten...
Jan Debrouwere
Voetnoten
1 Algemeen-secretaris Georgi Dimitrow hield er een verslag over linkse en democratische eenheid tegen het fascisme. Het werd de oproep tot het ‘Volksfront’ én tevens de breuk met de waanzin van het Derde Komintern-congres dat de sociaal-democratie het ‘sociaalfascisme’ had genoemd...
2 Zo heb ik, toen ik te Antwerpen federaal politiek secretaris was, op een dag de stichter en paus van de universele cosmos-christelijke wereldkerk, tevens dichter en filosoof, de toetreding tot de KPB uit het hoofd moeten praten. Een maand later nodigde hij me uit op de zalving en heiligverklaring van zijn zoon Gaspar.
3 Bij een volgende gelegenheid - en mijn vingers jeuken - wil ik wel wat schrijven over de omstandigheden die destijds 30.000 Europeanen en Amerikanen er toe brachten naar Spanje te trekken, om daar te vechten voor de Republiek en tegen Franco... Een paar honderd Europeanen, waaronder tachtig Belgen, traden dan weer in de franquistische gelederen.
4 André Marty, die in 1917 als marineonderofficier (kwartiermeester) een opstand op een Frans oorlogsschip in de Zwarte Zee had geleid, was jarenlang een leider van de Franse Communistische Partij (PCF). Hij was volksvertegenwoordiger en lid van het Politiek Bureau. In Spanje was hij van 1936 tot 1938 oppercommissaris en politiek boegbeeld der Internationale Brigades. De eigenlijke commandant was een Sowjet-generaal, die nadien door Stalin tegen de muur werd gezet. In 1953 liet Maurice Thorez Marty pardoes uit de partij sluiten. Vele van de over hem gefluisterde geruchten bleken toen opeens waar te zijn. Bij degenen die Marty in Spanje deed terechtstellen, waren naar verluidt ook Belgen, jonge mensen die zich als vrijwilligers bij de Internationale Brigades hadden gemeld. Maar Albert is zijn chef altijd trouw gebleven. Kritiek op Marty maakte hem tot in zijn laatste levensjaar bijzonder boos.
5 Zie mijn ‘Stipmomenten’, ACCO, Leuven.
6 Lalmand, hij alweer, had er met allerhande gesjoemel, voor gezorgd dat Albert De Coninck geen lijsttrekker werd. De parlementsverkiezingen van 4 juni 1950, verlopen in de sfeer der koningskwestie, hadden de CVP de volstrekte meerderheid opgeleverd en de communisten een tweede rampzalige nederlaag toegediend. Ook te Antwerpen kon die toen niet verhinderd worden.
7 Stalin werd geboren op 21 december 1879 in een of ander nest in Georgië en stierf in 1953.
8 Toen ik na het XXe congres der KPSU in Moskou was, informeerde ik onschuldig naar wat er met al die geschenken nadien wel gebeurd was. Niemand wist van toeten of blazen, iedereen heette haas.
9 Zeker wanneer fantasie en andermans goedgelovigheid elkaar ontmoetten. Het verslag over Vic’s uitvaart dat in “Solidair” verscheen, bracht daar een pijnlijk voorbeeld van...
|